Onderzoeksopzet

Aan het 2011 onderzoek hebben 115 commissarissen meegedaan, waarvan 45 via een face to face interview. De resterende webbases vragenlijsten (70) zijn voornamelijk ingevuld door FINEM leden, commissarissen die aan de eerdere onderzoeken hebben deelgenomen en alumni van de Governance University.

 

Het aantal in 2011 ligt weer wat hoger dan in 2010. Aan het 2010 onderzoek hebben 93 commissarissen meegedaan, waarvan 38 via een face to face interview. De resterende webbased vragenlijsten (55) zijn toen voornamelijk ingevuld door FINEM leden en commissarissen die aan het 2008-onderzoek hebben deelgenomen.

 

Basisprofiel

Ten behoeve van de analyse is een basisprofiel van de commissaris onderscheiden en een aantal variaties daarop. Het basisprofiel is als volgt gedefinieerd:

  • Hij is toezichthouder bij een beursgenoteerde onderneming.
  • Hij is een 'gewoon' RvC-lid of overig toezichthouder (RvT bijvoorbeeld) en geen voorzitter.
  • Hij heeft geen zitting in een RvB elders.
  • Hij is ouder dan 55 jaar.
  • Hij is een man.
  • Hij is geen lid van de auditcommissie binnen de RvC.

 

Bij de variaties worden bijvoorbeeld onderscheiden: de niet-genoteerde bedrijven, de coöperatie, een overheidsbedrijf, een familiebedrijf, de commissaris zijnde voorzitter, een commissaris tevens lid van een RvB en de vrouwelijke commissaris.

 

In de vraagstelling is doorgaans een vergelijking gemaakt tussen de huidige en de wenselijke situatie of tussen de huidige kwaliteit en het toekomstige belang.

 

Regressieanalyse

De resultaten zijn geanalyseerd met behulp van een regressieanalyse. Het voordeel hiervan is tweeledig: het kunnen schatten van scores voor een gekozen profiel zonder dat er veel respondenten aan de exacte profielbeschrijving hoeven te voldoen. Geen van de 115 respondenten voldoet exact aan het basisprofiel. Maar er zijn wel veel respondenten die misschien op één variatie na voldoen aan het basisprofiel. Ander voordeel, het kunnen scheiden van de invloeden van diverse variaties. Bijvoorbeeld, wanneer gemiddelde scores van genoteerde ondernemingen worden vergeleken met die van niet-genoteerde bedrijven is het de vraag of de verschillen toe te schrijven zijn aan het niet-genoteerd zijn of dat het ligt aan de gemiddeld kleinere omvang van de niet-genoteerde bedrijven.

Deze pagina doorsturen