21 november 2013

Uitzendperiode telt niet mee bij bescherming flexwerk

NL Nieuws Uitzendperiode telt niet mee bij bescherming flexwerk

De Centrale Raad van Beroep heeft beslist dat de periode waarin iemand als uitzendkracht heeft gewerkt niet meetelt bij de toepassing van de zogenoemde flexwetgeving. De Centrale Raad van Beroep volgt daarmee een uitspraak op die het Hof van Justitie van de Europese Unie op 11 april 2013 deed in een Italiaanse zaak.

 

Het gaat in deze zaak om een vrouw die eerst vier contracten als uitzendkracht bij een gemeente heeft gehad en daarna een tijdelijke aanstelling voor een jaar krijgt als ambtenaar bij die gemeente. Zij stelt dat die aanstelling haar vijfde contract op een rij is voor dezelfde functie, hetzelfde werk, hetzelfde salaris en onder hetzelfde gezag. Met een beroep op de zogenoemde flexwetgeving in de civiele sector (burgerlijk wetboek) stelt betrokkene dat in haar geval de tijdelijke aanstelling geldt als een vast dienstverband. Die flexwetgeving houdt in dat na drie contracten voor bepaalde tijd het vierde contract van rechtswege (automatisch) voor onbepaalde tijd gaat lopen.

 

De Centrale Raad van Beroep vindt dat het te ver gaat om de wettelijke bescherming van flexwerkers ook van toepassing te laten zijn bij werkzaamheden op basis van een uitzendovereenkomst, die vooraf gingen aan de tijdelijke aanstelling als ambtenaar. Het niet meetellen van de uitzendperiode is ook niet in strijd met het EU-recht. De Centrale Raad van Beroep verwijst hiervoor naar de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 april 2013 in de zaak Oresta Della Rocca tegen Poste Italiane SpA, kenmerk C-290/12. In die uitspraak heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat de EU regelgeving ter bescherming van flexwerkers niet van toepassing is op uitzendkrachten. Daarbij maakt het niet uit onder welke omstandigheden iemand uitzendwerk verricht. Dat betrokkene uitzendwerk deed ter vervanging van afwezige personeelsleden doet dus niet terzake.

 

De Centrale Raad van Beroep ziet ook geen andere redenen waarom betrokkene aanspraak kan maken op voortzetting van haar dienstverband. Het standpunt van de Commissie Gelijke Behandeling dat sprake zou zijn van discriminatie op grond van de godsdienstige overtuiging van betrokkene volgt de Raad niet. Er bestond juist grote tevredenheid over het functioneren van betrokkene. De beëindiging kan volgens de Centrale Raad van Beroep worden teruggevoerd op de bezuinigingen die de gemeente moest doorvoeren. Het beroep van betrokkene is dus terecht ongegrond verklaard.

 

Het oordeel van de Centrale Raad van Beroep is een eindoordeel. Partijen kunnen tegen deze uitspraak geen hoger beroep instellen. Het gaat in deze zaak om een ambtenaar. Hier gelden andere regels voor dan een gewone werknemer die onder het civiele arbeidsrecht valt.