02 december 2013

Reactie Grant Thornton op RJ290

NL Nieuws Reactie Grant Thornton op RJ290

Op 11 november reageerde Grant Thornton schriftelijk op de RJ-Uiting 2013-12 "ontwerp-Richtlijn 290 Financiële Instrumenten". Een weergave van onze reactie staat hieronder.

 

Kostprijshedgeaccounting - Bepaling ineffectiviteit

"In de huidige RJ290 is er sprake van ineffectiviteit indien het hedge instrument een grotere omvang heeft dan de afgedekte positie. In dat geval dient de rechtspersoon voor het percentage van de grotere omvang van het hedge instrument de bepalingen van alinea 513 en 541 toe te passen.

 

In de ontwerp-richtlijn is er sprake van ineffectiviteit wanneer het hedge instrument en de afgedekte positie niet aan elkaar gelijk zijn. De rechtspersoon dient dan dit eventueel ineffectieve deel te bepalen door middel van een kwantitatieve ineffectiviteitsmeting.


Dus ook wanneer er sprake is van een kleinere omvang van het hedge instrument ten opzichte van de afgedekte positie zou de kwantitatieve ineffectiviteitsmeting toegepast moeten worden.

Ons lijkt dit een administratieve lastenverzwaring ten opzichte van de huidige praktijk, en niet werkbaar. In de praktijk zien we heel vaak dat de effectiviteit niet geheel 100% is, zeker bij valutatermijncontracten. Wij willen aanbevelen de oude definitie voor het bepalen van de effectiviteit te blijven toepassen.

 

Kwantitatieve ineffectiviteitsmeting

Volgens de ontwerp-richtlijn wordt de kwantitatieve ineffectiviteitsmeting berekend op basis van het reële-waardehedge-accountingmodel of het kasstroomhedgeaccounting-model. De meest geëigende invulling van deze ineffectiviteitsmeting is het vergelijken van de cumulatieve verandering van de reële waarde van het hedge instrument met de cumulatieve verandering van de waarde van de afgedekte positie sinds het aanwijzen van de hedge relatie.

 

Indien en voor zover de ineffectiviteit per balansdatum op cumulatieve basis in een verlies resulteert dient de ineffectiviteit te worden verwerkt in de winst- en verliesrekening.

Op basis van de huidige richtlijn wordt de ineffectiviteit bepaald op basis van de feitelijke standen ultimo boekjaar van het hedge instrument versus de afgedekte positie.

 

Het nieuwe model is complex voor wat betreft kostprijshedgeaccounting. Er wordt nu gehinkt op twee gedachten, enerzijds kostprijshedgeaccounting, en in geval van ineffectiviteit cumulatieve mutaties in de fair value van het hedge instrument en de afgedekte toekomstige kasstromen.

In de praktijk is het bij een aantal banken niet mogelijk een vastrentende lening af te sluiten. Indien cliënten dat wel wensen, dan worden zij gedwongen om een variabelrentende lening af te sluiten met hieraan gekoppeld een interest rate swap met dezelfde kenmerken als de lening. In feite ontstaat er zo een vastrentende lening.

 

Dit gaat goed zolang keurig het afgesproken schema wordt gevolgd. Echter wanneer er versneld afgelost wordt, ontstaat er voor dit deel een ineffectief deel, omdat veelal vergeten wordt de IRS hierop aan te passen.

 

In de MKB-praktijk komt bovengenoemde situatie veelvuldig voor, ook bij kleine ondernemingen.

 

Teneinde deze voorgestelde complexe regelgeving te ontwijken zou dit voor kleine ondernemingen een stimulans kunnen zijn om over te gaan op fiscale grondslagen.

 

Wij adviseren daarom om als alternatief de huidige waardering zoals opgenomen onder RJ290.634 e.v. te behouden, scherpere eisen te stellen aan de condities rondom effectiviteit, en eventuele extra toelichtingen hieromtrent op te nemen, in plaats van de kwantitatieve ineffectiviteitsberekening (op basis van fair value) te gaan invoeren. De nieuwe methodiek is namelijk een stuk complexer, zeker voor het MKB betekent dit een aanzienlijke lastenverzwaring. Anderzijds heeft de nieuwe methodiek een grotere volatiliteit, met mogelijk effect op het resultaat. Er worden nu rentelasten naar voren gehaald. Dit past niet in matching.

 

Indien wel gekozen wordt voor handhaving, adviseren wij tevens een voorbeeld uit te werken voor een versnelde aflossing op een lening waarbij het IRS-contract niet wordt aangepast.

 

Embedded derivaten

In de nieuwe ontwerprichtlijn is de vrijstelling voor middelgrote rechtspersonen om embedded derivativen als één geheel te verwerken volgens de regels voor verwerking van het basiscontract komen te vervallen. Ook dit is een administratieve lastenverzwaring, en is ons inziens niet gewenst.

 

Overgangsperiode

In de RJ-Uiting is opgenomen dat de RJ overweegt om deze wijziging van kracht te laten worden voor boekjaren die aangevangen zijn op of na 1 januari 2013.

 

Uit oogpunt van zorgvuldige regelgeving en gelet op de complexiteit van de wijzigingen zijn wij van mening dat invoering met terugwerkende kracht van bijna een jaar onwenselijk is. Wij verzoeken u daarom de Uiting te laten ingaan voor boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2014."