11 juni 2013

Hoge Raad verleent vrijstelling overdrachtsbelasting aan Woningstichting Maasdriel

NL Nieuws Hoge Raad verleent vrijstelling overdrachtsbelasting aan Woningstichting Maasdriel

Volgens de Hoge Raad kan een terrein als een bouwterrein worden aangemerkt als op de datum van de levering blijkt dat het betrokken terrein daadwerkelijk was bestemd om te worden bebouwd. Woningstichting Maasdriel is dan geen overdrachtsbelasting verschuldigd.

Woningstichting Maasdriel koopt in 2006 grond met daarop een parkeerterrein en een voormalige bibliotheek. Zij wil de grond gaan gebruiken als bouwgrond voor woningbouw in combinatie met winkel- en kantoorontwikkeling. Begin 2007 wordt de voormalige bibliotheek gesloopt. In maart 2007 worden de percelen aan Woningstichting Maasdriel geleverd. In geschil is of partijen terecht de overdrachtsbelastingvrijstelling van art. 15 lid 1 onderdeel a WBR hebben toegepast.

Hof Arnhem oordeelt dat Woningstichting Maasdriel geen recht heeft op de overdrachtsbelastingvrijstelling. Volgens het hof kan het perceel namelijk niet worden aangemerkt als een bouwterrein als bedoeld in art. 11 lid 4 Wet OB. De Hoge Raad heeft in deze procedure een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie EU (HvJ EU) gesteld. Volgens het HvJ EU valt de levering van een onbebouwd terrein, na de sloop van het op dat terrein staande gebouw, niet onder btw-vrijstelling van art. 135 lid 1 onderdeel k EU-richtlijn 2006/112. Dit is volgens het HvJ EU zelfs het geval als er op de datum van die levering nog geen voorzieningen zijn getroffen voor dit terrein – anders dan bovenvermelde sloop – wanneer uit een globale beoordeling van de omstandigheden blijkt dat op die datum het betrokken terrein daadwerkelijk bestemd was om te worden bebouwd.

De Hoge Raad oordeelt dat Woningstichting Maasdriel recht heeft op de overdrachtsbelastingvrijstelling. Onder verwijzing naar het arrest van het HvJ EU stelt de Hoge Raad vast dat een terrein als een bouwterrein kan worden aangemerkt als op de datum van de levering blijkt dat het betrokken terrein daadwerkelijk was bestemd om te worden bebouwd. De Hoge Raad komt hiermee terug op zijn arrest van 10 augustus 2001, nr. 36686 (BNB 2001/401). De Hoge Raad vernietigt de naheffingsaanslag.