03 oktober 2014

Hof zet streep door visie Belastingdienst omtrent ondernemerschap in AWBZ-zorg

NL Nieuws Hof zet streep door visie Belastingdienst omtrent ondernemerschap in AWBZ-zorg

Door Hans Piersma partner bij Grant Thornton.

 

De Belastingdienst stelt zich in de praktijk steevast op het standpunt dat ondernemerschap van de zorgverlener in de AWBZ-zorg in natura niet mogelijk is. Immers, zo stelt de Belastingdienst, de zorginstelling kan uitsluitend de aan haar opgelegde AWBZ-kwaliteitseisen waarborgen indien zij voldoende ‘gezag’ kan uitoefenen over de zorgverlener.

 

De Belastingdienst verbindt hieraan vervolgens de consequentie dat in het kader van het verlenen van AWBZ-zorg in natura de zorgverlener bij de zorginstelling per definitie in dienstbetrekking zal staan omdat dit voortvloeit uit de kwaliteistwet. Oftewel: ondernemerschap in de AWBZ-zorg is in de visie van de Belastingdienst niet mogelijk. Deze visie leidt in de praktijk tot de nodige discussies omtrent het risico van werkgeverschap bij desbetreffende zorginstellingen.


Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 23 september jl. korte metten gemaakt met het standpunt van de Belastingdienst. Wat speelde in deze zaak? De verpleegkundige in kwestie verrichtte AWBZ-zorg in natura via verschillende zorginstellingen. Het betrof met name 24-uurszorg. De inspecteur in kwestie nam het standpunt in dat de verpleegkundige in dienst was bij de zorginstellingen. Het hof oordeelt echter anders en meent dat de verpleegkundige wel degelijk kwalificeerde als een ondernemer. Dat de instellingen als toegelaten zorgaanbieders verantwoordelijk blijven voor de kwaliteit van de zorg, hoeft volgens het Gerechtshof niet te betekenen dat zorgverleners geen ondernemer kunnen zijn. De overweging van het hof druist daarmee lijnrecht in tegen het standpunt van de Belastingdienst inhoudende dat AWBZ-zorg in natura alleen in dienstbetrekking kan worden verleend.


De vraag ligt voor, welke invloed deze uitspraak zal hebben op de praktijk en in het bijzonder of de Belastingdienst zich soepeler zal opstellen. De Staatssecretaris van Financiën heeft inmiddels aangekondigd niet in cassatie te gaan bij de Hoge Raad, in verband met het feitelijke karakter van de uitspraak. Een rechtsoordeel van onze hoogste rechter blijft hiermee dus (voorlopig) uit. Daarnaast heeft de staatssecretaris in het tv-programma ‘Nieuwsuur’ in dit kader verkondigd dat de werkwijze van de Belastingdienst niet zozeer anders zal worden. De Staatsecretaris maakt zich er (te?) gemakkelijk vanaf door te stellen dat de fiscale duiding van de arbeidsrelatie een feitelijke aangelegenheid betreft. De verwachting bestaat dan ook dat de discussie over het ondernemerschap in de AWBZ-zorg voorlopig nog wel zal blijven aanhouden. Het feit blijft dat deze uitspraak, ondanks dat het hier een inkomstenbelastingprocedure betrof, een belangrijke is voor zorginstellingen in het kader van de (mogelijke) discussie met de Belastingdienst over het risico van werkgeverschap.


Gelet op de ontwikkelingen omtrent de fiscale duiding van arbeidsrelaties in de zorg, vrezen belangenorganisaties dat de terminale thuiszorg in gevaar komt als het voor zorgverleners niet mogelijk zou zijn om als ondernemer aan de slag te gaan. Reden hiervoor is dat het bij verzorging van terminale cliënten vaak gaat om onregelmatige en lange diensten. Deze diensten kunnen niet in loondienst worden verricht omdat dit arbeidsduur in strijd is met de CAO. Ook de Tweede Kamer heeft zich geroerd. Op aandringen van de kamer heeft het kabinet aangekondigd snel met een oplossing te komen voor dit probleem. Staatssecretaris Van Rijn denkt na over een spoedwet om de thuiszorg voor terminale cliënten te ‘redden’. De vraag is of deze ‘reddingsactie’ naar aanleiding van de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden nog wel nodig is. Het algemene standpunt van de Belastingdienst dat AWBZ-zorg in natura uitsluitend in dienstbetrekking kan worden verricht, gelet op de verantwoordelijkheid van de zorginstelling om de kwaliteitseisen te waarborgen, komt met deze uitspraak namelijk op losse schroeven te staan.