14 juli 2015

Brief staatssecretaris Financiën Wiebes inzake pensioen in eigen beheer

NL Nieuws Brief staatssecretaris Financiën Wiebes inzake pensioen in eigen beheer

Door Roelof de Pater, pensioenadviseur bij Grant Thornton

 

Afgelopen week stuurde staatssecretaris van Financiën Wiebes een brief naar de kamer met een nadere uitwerking van twee mogelijke oplossingsrichtingen op het gebied van pensioen in eigen beheer. Hierover gaat hij in september overleggen met de Tweede Kamer.


De huidige systematiek wordt als te ingewikkeld en daarmee te kostbaar ervaren en menig DGA kampt met problemen omtrent het grote verschil tussen de fiscale en de commerciële pensioenverplichting, waardoor dividenduitkeringen nauwelijks plaats kunnen vinden. De twee oplossingsrichtingen worden in de brief aangeduid met de termen ‘oudedagsbestemmingsreserve’ (OBR) en ‘oudedagssparen in eigen beheer’ (een variant op een beschikbare premieregeling met een vast oprentingspecentage).


OBR

Deze variant komt er op neer dat jaarlijks een deel van de winst mag worden gereserveerd voor de oude dag. De dotatie aan deze reserve wordt bepaald door de pensioengrondslag (salaris - maximaal 100.000 euro - minus franchise) te vermenigvuldigen met een (nader te bepalen) vast percentage. Tijdens de opbouw van de OBR zijn er nog geen (juridisch afdwingbare) aanspraken. Uiterlijk op het verplichte aanwendingsmoment (pensioendatum, met bij doorwerken maximaal vijf jaar uitstel of bij verkoop aandelen) dient de OBR aangewend te worden voor de verwerving van een lijfrente bij een professionele verzekeraar. Ook kan er voor worden gekozen vanuit de eigen vennootschap uit te keren, in beginsel gedurende twintig jaren. De uitkeringen zijn belast in Box 1. Indien de OBR niet wordt aangewend, dan zal over de vrijvallende reserve vennootschapsbelasting verschuldigd zijn, alsmede revisierente.


Oudedagssparen in eigen beheer

Bij oudedagssparen in eigen beheer kan jaarlijks maximaal een bepaald deel van het loon opzij worden gezet binnen de vennootschap. Elk jaar kan worden gekozen óf een bedrag opzij wordt gezet en zo ja, hoeveel. Inhaal is niet mogelijk. Vanaf het moment dat de opbouw is gestart, ontstaat er een juridisch afdwingbaar recht op het ‘oudedagspotje’, dat jaarlijks wordt opgerent met de marktrente (U-rendement). Uiteindelijk moet dit potje gebruikt worden voor de aankoop van een lijfrente bij een professionele verzekeraar of voor een periodieke uitkering (looptijd twintig jaar) vanuit de eigen vennootschap.


Overgangsrecht

In de brief wordt ook aandacht besteed aan het overgangsrecht. Hierbij wordt gedacht aan de volgende keuzemogelijkheid: fiscale(!) pensioenverplichting omzetten in een oudedagsspaarverplichting of geen omzetting (maar wel stoppen met verdere opbouw in eigen beheer).


Voorkeur Wiebes
De staatssecretaris geeft aan de voorkeur te hebben voor het oudedagssparen en hij nodigt de kamer uit hierover in debat te gaan. Het streven is om de benodigde wetgeving per 1 januari 2016 in werking te kunnen laten treden, maar zorgvuldigheid gaat boven snelheid, zo geeft hij aan.


Conclusie

Wat al lange tijd in de lucht hing, komt steeds dichterbij: afschaffing van pensioen in eigen beheer, in de huidige vorm. De verschillende regimes (Witteveen, VPL, VAP, etc. ) hadden pensioen in eigen beheer niet eenvoudiger gemaakt. Vanwege de uiterst lage marktrente is er vaak een groot verschil tussen de fiscale en commerciële pensioenverplichting. Dit leidt in de praktijk tot veel problemen, met name bij het uitkeren van dividend. De voorgestelde methoden zijn aanzienlijk eenvoudiger en ook het dividendprobleem wordt opgelost, omdat voornoemd verschil niet (of nauwelijks) meer aanwezig is. Wel is teleurstellend dat ook deze brief niet de duidelijkheid geeft waar de praktijk zo behoefte aan heeft.