25 november 2014

Aanname Belastingplan 2015: wijzigingen op het gebied van de loonheffingen

NL Nieuws Aanname Belastingplan 2015: wijzigingen op het gebied van de loonheffingen

Door AJ Voortman senior tax advisor bij Grant Thornton.

 

Op 13 november jl. heeft de Tweede Kamer het Belastingplan 2015 aangenomen. Door het aannemen van een aantal moties zijn er echter nog wel een aantal wijzigingen in aangebracht. Wij zetten de wijzigingen op het gebied van de loonheffingen voor u op een rij.


Werkkostenregeling
Concernregeling opengesteld voor stichtingen
De concernregeling wordt ook opengesteld voor inhoudingsplichtige stichtingen die in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig met elkaar zijn verweven dat zij een eenheid vormen.


Deze verwevenheid moet blijken uit het voldoen aan een aantal regels. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de bindende voordracht van de benoeming van nieuwe bestuursleden en het recht op het vermogen bij vereffening bij faillissement of opheffing van een stichting opererend in concernverband.


Bestaande vrijstelling aanschaf fiets vervalt definitief
Twee amendementen waarin voorgesteld wordt om de bestaande vrijstelling met betrekking tot de aanschaf van een fiets voor het woon-werkverkeer als gerichte vrijstelling in de werkkostenregeling op te nemen zijn afgewezen.


Nihilwaardering  parkeren bij de werkplek afgewezen
Het amendement waarin voorgesteld wordt om ook parkeren bij de werkplek op nihil te waarderen, is ook afgewezen. De nihilwaardering blijft alleen gelden voor parkeergelegenheid op de werkplek waarvoor u als werkgever ARBO-verantwoordelijkheid heeft. Als u geen of onvoldoende parkeergelegenheid op de werkplek heeft en daarom parkeerruimte huurt in een parkeergarage aan de overkant van de straat, wordt de terbeschikkingstelling daarvan aan uw werknemers die rijden in een privéauto als loon in natura aangemerkt, maar kan als eindheffingsbestanddeel onder het algemeen forfait worden gebracht.

 

Gebruikelijk loon

  1. Om de bewijslastverdeling en reikwijdte van de voorgestelde ondersteunende maatregelen bij de gebruikelijkloonregeling tussen de Belastingdienst en u als  ondernemer beter in balans te brengen, worden de voorgestelde wijzigingen van de gebruikelijkloonregeling per 2015 op 2 onderdelen gewijzigd.Ten eerste wordt de uitbreiding van het begrip ‘het lichaam of daarmee verbonden lichamen’ met ‘lichamen waaruit de inhoudingsplichtige direct of indirect met toepassing van de deelnemingsvrijstellingvoordelen kan genieten’, teniet gedaan. Hierdoor wordt de kring van lichamen waarvoor de toets van het hoogste loon van de overige werknemers die in dienst zijn van de inhoudingsplichtige of met de inhoudingsplichtige verbonden lichamen, geldt, toch niet uitgebreid.
  2. Ten tweede is geregeld dat indien de inspecteur van mening is dat een hoger gebruikelijk loon aannemelijk is, hij als onderdeel van zijn bewijslast ten minste de objectieve criteria aan de inhoudingsplichtige moet overleggen op basis waarvan hij heeft vastgesteld wat de meest vergelijkbare dienstbetrekking is. Hierbij kun je denken aan het vermelden van de branche, de grootte van het bedrijf uitgedrukt in bijvoorbeeld werknemers of omzet, het werkpakket en de verantwoordelijkheden.

Bijtelling auto van de zaak
De Tweede Kamer heeft ingestemd met het bijtellingsplan van de autobranche voor het ‘tussenjaar’ 2016. Hierdoor blijven er in 2016 afzonderlijke categorieën voor volledig elektrische auto’s (4 procent bijtelling) en plug-in hybrides tot en met 50 gram/km (15 procent bijtelling), maar komt er daarna een ruimere tussencategorie van 21 procent. Dat gaat dan om auto’s met een CO2-uitstoot van 51 tot en met 106 gram/km. Daarboven is het normale bijtellingspercentage van 25 procent van toepassing.
Deze bijtellingstarieven zijn van toepassing op auto’s die in 2016 voor het eerst tenaamgesteld worden.
Hieronder geven we u een overzicht van de bijtellingspercentages voor auto’s die in 2014 of 2015 voor het eerst tenaamgesteld worden (het percentage dat van toepassing is blijft gelden voor een periode van 60 maanden en wordt daarna vastgesteld aan de hand van de regels die op dat moment gelden).