03 oktober 2013

‘Onderscheid in Successiewet in strijd met gelijkheidsbeginsel’

NL Nieuws ‘Onderscheid in Successiewet in strijd met gelijkheidsbeginsel’

Het onderscheid in de Successiewet tussen de belasting van particulier vermogen en ondernemingsvermogen is, tot op zekere hoogte, in strijd met het internationaal verankerde gelijkheidsbeginsel. Dat adviseert advocaat-generaal IJzerman de Hoge Raad in zijn conclusies van 30 september die vandaag zijn gepubliceerd. In de huidige wet is een (extra) vrijstelling opgenomen van 100% over van de waarde van verkregen ondernemingsvermogen tot aan € 1.006.000 en 83% van de waarde die boven dat bedrag uitkomt. Alleen degenen die ondernemingsvermogen erven of geschonken krijgen, hebben recht op die vrijstelling.

 

De vrijstelling is de afgelopen jaren voortdurend uitgebreid: in 2002 van 25% naar 30%, in 2005 naar 60%, naar 75% in 2006 en tot aan de nu geldende percentages per 1 januari 2010.

 

Rechtbank Breda

Op 13 juli 2012 besliste de rechtbank Breda dat een vrijstelling van 75% voor ondernemingsvermogen in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Volgens die uitspraak hebben verkrijgers van particulier vermogen ook recht op deze vrijstelling. De uitspraak van de rechtbank Breda heeft ruime aandacht gekregen in de pers. Naar aanleiding van die uitspraak zijn door veel verkrijgers van particulier vermogen bezwaarschriften ingediend tegen opgelegde aanslagen. Uit de tienduizenden bezwaarschriften zijn vijf gevallen uitgekozen om in een proefprocedure aan de Hoge Raad voor te leggen. Als de Hoge Raad in die vijf zaken uitspraak heeft gedaan, wordt in de overige zaken in overeenstemming met de uitspraken van de Hoge Raad een collectieve uitspraak op bezwaar gedaan.

 

Gelijkheidsbeginsel

Omdat het uitgangspunt van de Successiewet is dat in principe over elke verkrijging krachtens erfrecht of schenking belasting moet worden betaald, zijn verkrijgers van particulier vermogen en verkrijgers van ondernemingsvermogen volgens de AG in dat opzicht  gelijke gevallen die ongelijk zijn behandeld. De wetgever heeft als rechtvaardiging voor ongelijke behandeling aangevoerd dat de vrijstelling liquiditeitsproblemen bij de verkrijging van ondernemingsvermogen voorkomt. Op zichzelf kan dit volgens de AG een objectieve en redelijke rechtvaardiging zijn voor de ongelijke behandeling, maar niet onbeperkt

 

Discriminatie

Volgens de AG moet ook worden getoetst of het aanzienlijke wettelijke verschil in behandeling in redelijke verhouding staat tot het gerechtvaardigde doel. Daarbij heeft de wetgever op grond van internationale jurisprudentie een ruime beoordelingsvrijheid. De rechter moet volgens de AG afstand bewaren bij toetsing van een door de wetgever aangevoerde rechtvaardiging. De beoordelingsvrijheid is echter volgens de AG niet oneindig ruim. De rechter moet ingrijpen als de nationale maatregel iedere redelijke grondslag mist. De AG meent dat daar bij een vrijstelling van 75% nog geen sprake van is, maar bij de wettelijke verhoging naar meer dan 75% per 1 januari 2010 wel. De AG neemt daarbij in aanmerking dat de Raad van State de wetgever heeft gewaarschuwd dat verdere uitbreiding van de vrijstelling spanning oproept met het gelijkheidsbeginsel. De wetgever heeft ondanks die waarschuwing geen onderzoek gedaan naar de noodzaak en effectiviteit van de verdere uitbreiding.

 

Rechtsherstel

De AG adviseert de Hoge Raad verkrijgers van particulier vermogen rechtsherstel te verlenen door vanaf het jaar 2010 eveneens een vrijstelling toe te kennen naar de mate waarin de bedrijfsopvolgingsfaciliteit voorziet in een hogere wettelijke vrijstelling dan 75%. Dat betekent dat verkrijgers van particulier vermogen recht hebben op een vrijstelling van (100% - 75%=) 25% over de eerste € 1.006.000 en (83% - 75%=) 8% over het meerdere. Dat advies wijkt af van de uitspraak van de rechtbank Breda. Die besliste dat verkrijgers van particulier vermogen recht hebben op de volledige vrijstelling van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit.

 

Zie voor de volledige tekst van de conclusies:
- 13/01154 : ECLI:NL:PHR:2013:863
- 13/01160 : ECLI:NL:PHR:2013:859
- 13/01161 : ECLI:NL:PHR:2013:860
- 13/01622 : ECLI:NL:PHR:2013:861
- 13/02453 : ECLI:NL:PHR:2013:862