3a61
Gerechtshof Den Haag heeft in hoger beroep geoordeeld dat de bpm niet kan worden nageheven zolang deze kan worden aangegeven en voldaan, dat wil zeggen zolang het kenteken niet op naam is gesteld.
Een bv koopt in Luxemburg een gebruikte auto voor € 7.500, exclusief btw. Op 1 november 2010 doet de bv bpm-aangifte met een verschuldigd bedrag van € 587. Op 12 november 2010 legt de inspecteur een bpm-naheffingsaanslag op van € 2.428. De bv krijgt vervolgens een betaalbericht voor zowel de aangegeven bpm als de nageheven bpm. De bv betaalt het totaalbedrag van € 3.015 op 15 november 2010 en de inspecteur geeft vervolgens het fiscaal akkoord aan de RDW af.
De bv maakt bezwaar tegen de naheffing, aangezien deze is opgelegd voordat zij de aangegeven bpm kon voldoen. Rechtbank Den Haag oordeelt dat de naheffing rechtsgeldig is, aangezien er een groot verschil is tussen de aangegeven bpm en de materieel verschuldigde bpm. Hierop gaat de bv in hoger beroep.
Het hof in Den Haag oordeelt dat de bpm niet kan worden nageheven zolang deze kan worden aangegeven en voldaan, dat wil zeggen zolang het kenteken niet op naam is gesteld. De aanslag is opgelegd, voordat het kenteken op naam was gesteld. Het beroep van de bv is dus gegrond. Het maakt niet uit dat het kenteken pas op naam wordt gesteld, wanneer de volledige belasting is voldaan, welk laatste gegeven voor een inspecteur aanleiding is het fiscaal akkoord door te geven.