26 augustus 2011

Medewerker met kanker tijdens proeftijd ontslaan is discriminatie

NL Actueel Nieuwsberichten Medewerker met kanker tijdens proeftijd ontslaan is discriminatie

De Commissie Gelijke Behandeling heeft geoordeeld dat een horecabedrijf verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte heeft gemaakt door een werkneemster, bij wie tijdens de proeftijd kanker werd geconstateerd, te ontslaan.

 

Een vrouw gaat werken voor een horecabedrijf als medewerker uitgifte: zij maakt onder meer bestellingen klaar. Na enkele weken, binnen de proeftijd, wordt zij met klachten aan de galblaas opgenomen in het ziekenhuis. Ze wordt geopereerd en tijdens de operatie ontdekt de arts dat zij lymfeklierkanker heeft. Na de operatie vertelt de vrouw dit aan haar leidinggevende die haar in het ziekenhuis bezoekt. Een dag later ontvangt zij een brief van de werkgever, waarin hij de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang opzegt.

 

Oordeel Commissie

De Commissie Gelijke Behandeling oordeelt dat het horecabedrijf verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte maakt door de werkneemster tijdens de proeftijd te ontslaan.

 

Toelichting

Hoewel een werkgever het recht heeft om iemand tijdens de proeftijd te ontslaan, mag dat niet als het ontslag berust op discriminatie. De ziekte van de werkneemster is langdurig en valt daarom onder het begrip handicap of chronische ziekte. De werkneemster vindt dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de mededeling dat zij kanker had en de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever. De opzegging volgde immers direct nadat de werkneemster haar leidinggevende had verteld dat zij lymfeklierkanker had, terwijl zij zich al tien dagen eerder ziek had gemeld. Verder functioneerde zij goed. De Commissie stelt vast dat hiermee een vermoeden van onderscheid is ontstaan. Om te bewijzen dat hij geen onderscheid heeft gemaakt, brengt de werkgever naar voren dat hij pas hoorde van de ziekte van de werkneemster nadat de opzeggingsbrief was verstuurd. Verder stelt de werkgever dat de periode dat de werkneemster feitelijk had gewerkt, te kort was om te kunnen beoordelen of zij goed functioneerde.

­

De Commissie overweegt dat alleen de stelling van de werkgever dat hij niet op de hoogte was van de ziekte van de werkneemster, niet als bewijs kan gelden dat hij geen onderscheid heeft gemaakt. Ook het argument van de werkgever dat hij de werkneemster niet goed heeft kunnen beoordelen, bewijst niet dat de chronische ziekte van de werkneemster niet (mede) een rol heeft gespeeld bij de opzegging van de arbeidsovereenkomst.

Deze pagina doorsturen