De Hoge Raad vernietigt een aan een echtpaar opgelegde aanslag schenkingsrecht omdat de inspecteur aan ieder van hen afzonderlijk een aanslag had moeten opleggen. De schenking heeft namelijk plaatsgevonden aan twee natuurlijke personen.
In 1999 sluiten de ouders met hun zoon een gebruiksovereenkomst voor de woning die aan de zoon toebehoort. De woning is ten minste 624.000 euro waard. De overeenkomst is voor onbepaalde tijd gesloten. De ouders betalen 272 euro huur per maand voor gas, water en licht.
De inspecteur vindt dat hier sprake is van een schenking en legt een aanslag schenkingsrecht op over de waarde van het gebruiksrecht. Volgens de ouders is de tenaamstelling van de aanslag onjuist en moet de aanslag worden vernietigd. Hof Arnhem beslist dat de belasting wordt geheven van de verkrijgers en dat de ouders de verkrijgers zijn. Verder beslist het hof dat de aanslagen terecht op één aanslagbiljet zijn opgenomen en dat de beide verkrijgers voor de berekening van het recht van schenking terecht als één en dezelfde persoon zijn aangemerkt.
De Hoge Raad beslist echter anders. De schenking heeft plaatsgevonden aan twee natuurlijke personen. Voor het recht van schenking moet dan ieder van hen afzonderlijk als verkrijger worden aangemerkt voor hetgeen door hem of haar wordt verkregen. Vervolgens overweegt de Hoge Raad dat - nu een aanslag in het recht van schenking aan de verkrijger moet worden opgelegd - het niet is toegestaan om de verkrijgingen van de ouders te betrekken in één aanslag die aan hen gezamenlijk wordt opgelegd. De Hoge Raad vernietigt dan ook de aanslag.